Gisteren is Pasula op Wim’s verzoek toch maar even naar de dokter geweest. Zelf wuift ze elk pijntje en elke klacht weg. De dame is te actief en weigert gewoon ziek te worden. Maar gisteren werd ze door de dokter even teruggefloten, en het scheelde weinig of hij had haar over de knie gelegd en een flink pak voor de broek gegeven. Pasula is dan ook flink geschrokken van wat de dokter haar te melden had, en ook wij hadden niet gedacht dat het zo erg was. Het resultaat: de oude antibiotica‑maagd moest er nu echt aan geloven en slikt voor het eerst in haar leven penicilline. Bovendien moet ze van de dokter met haar poezelige pootje omhoog zitten en het geheel pappen en nathouden. En wij hadden juist weer zoveel leuke uitjes in petto. Wat vinden jullie: moeten we op Pasula wachten, of zullen we haar maar lekker maken met onze verhalen en foto’s?
Het bleek gisteren trouwens de nationale lappenmanddag te zijn, want gisteravond laat ging de telefoon. Het was het verpleeghuis. Het ging niet goed met oma en we konden maar beter langskomen. Haar bloeddruk was gezakt tot 60/30 en ze had een hartslag van 45. De dokter was gewaarschuwd en onderweg. Uiteindelijk besloten we dat ze het beste naar het ziekenhuis kon gaan voor verdere onderzoeken. Oma vond al die aandacht maar machtig interessant. Maar makkelijker is ze niet geworden sinds ze dement is. Aan iedereen vroeg ze of diegene de dokter was: de zuster, de chauffeur van de ambulance, de ambulancemedewerker, het ziekenhuispersoneel… Ze vroeg het aan iedereen behalve de dokter zelf. Toen ze iedereen gehad had, begon het ritueel gewoon opnieuw.
Daarna wilde ze alleen maar slapen. “Ik heb slaap, mag ik slapen.” En niet één keer, niet twee keer, maar tientallen keren. In het verpleeghuis, op de brancard, in de ambulance, op de Eerste Hulp, tijdens de cardiogram. Toen ze eindelijk even mocht slapen in afwachting van het bloedonderzoek, zat ze ineens recht overeind. “Ik heb dorst.” Water gegeven. Nog een bekertje water. “Ik heb honger.” (Het was ondertussen al één uur ’s nachts.) Maar waar haal je midden in de nacht zo snel wat te eten vandaan? Twintig seconden later: “Ik heb honger.” Gelukkig had de verpleegster nog wat brood en maakte heel lief een boterham met kipfilet voor haar klaar, die ze gretig naar binnen werkte.
Vijftien minuten later: “Ik heb honger.” “U heeft net gegeten, oma. Het is midden in de nacht, het is niet goed voor uw suiker.” Geen enkel argument hielp. Om de twintig à dertig seconden liet oma weten dat ze honger had. Gelukkig had de zuster medelijden met mij en smeerde nog een boterham voor haar, die binnen no‑time opgesmikkeld werd. Oma was voldaan en toen…
“Wat is dit?” Ze keek verbaasd naar haar hand, waar een infuus was aangebracht. Na een korte uitleg legde ze haar hand weer neer, maar ze had wel haar laken weggetrokken. “Ik heb het koud.” Dus Jeffie kon weer opstaan om haar toe te dekken. Een paar minuten later ging de hand weer omhoog. “Wat is dit?” “Dat is een infuus, oma.” “Oh. Ik heb het koud.” En daar ging Jeffie weer om haar toe te dekken.
Dit ritueel herhaalde zich meerdere keren en ik begon nu wel heel wanhopig naar de klok te kijken. Het was ondertussen al kwart over twee. Ik zat er dus al sinds 00.00 uur. Maar toen kwam het verlossende antwoord: oma mocht weer terug naar huis. De bloeddruk was iets gestegen. Het bleek allemaal een combinatie te zijn van medicijnen, de hitte, lichte uitdroging en een slecht hart. Met de ambulance werd ze teruggebracht. Eenmaal thuis heb ik haar voor de laatste keer die nacht toegestopt, waarna ze — moe van haar avontuur — meteen in slaap viel.
Uitgeput lag ik om kwart over drie eindelijk in mijn bed en kon nog tweeënhalf uur slapen voordat de wekker ging. Ik moest meteen aan oma’s woorden denken: “Ik heb slaap, mag ik slapen.”